← Terug naar het boek

Wie ziet, betaalt · Deel I

Scène 1 — De fiets

De volledige openingsscène · Erwin van Rosmalen

Het achterlicht bleef knipperen.

Rood tegen het natte gras. Rood over de zwarte spijlen van de Pelserbrug. Rood langs de witte zool van de ambulanceverpleegkundige die naast de vrouw geknield zat.

Daarna verdween het.

Een tel later begon het opnieuw.

Leo parkeerde achter de tweede politieauto. De voertuigen langs beide bermen versmalden de Eilandweg. Achter het lint wachtte een lijnbus met gedimde koplampen. Onder het afdak hield de chauffeur zijn jas bij de keel dicht.

Leo draaide die nacht recherchepiket voor Zaanstreek-Waterland.

Een jonge agent kwam naar Leo toe.

‘Waar is de bestuurder?’

‘Doorrijder.’

Leo hield hem zijn legitimatie voor.

‘Is er iemand bij een voertuig aangetroffen?’

De agent raadpleegde zijn notitieblok.

‘Nee. Er is geen ander voertuig aangetroffen.’

‘En niemand heeft een bestuurder gezien.’

‘Nog niet.’

Leo knikte en trok overschoenen aan.

‘Wie is als eerste ter plaatse geweest?’

‘Mijn collega en ik. Vlak vóór de ambulance.’

‘Loop met me mee.’

Ze gingen onder het lint door.

De vrouw lag half in de berm: één schouder op het gras, haar benen dichter bij de rijbaan. Een isolatiedeken bedekte haar vanaf haar middel. De rechterarm verdween eronder. Haar andere hand lag met de palm omhoog in platgedrukt gras.

Modder vulde de lijnen van haar vingers.

Leo wendde zich tot de ambulanceverpleegkundige. ‘Hoe lang?’

‘Zeventien minuten gereanimeerd vanaf onze aankomst. Geen circulatie teruggekregen.’ Ze trok haar handschoenen uit. ‘De schouwarts is onderweg.’

‘Hebben jullie haar verplaatst?’

‘Alleen wat noodzakelijk was. Ze lag meer op haar rechterzijde, met haar hoofd richting de brug.’

‘Kleding geopend?’

‘Voor de reanimatie. In haar binnenzak zat een perskaart. Die is veiliggesteld.’

‘Verder iets uit haar kleding gehaald?’

‘Nee.’

Donker haar lag nat tegen haar hals. Aan één zijde zat bloed tussen haar gezicht en het gras. De andere was bijna onbeschadigd. Haar mond leek nog een antwoord vast te houden.

‘Wie heeft haar gevonden?’

De jonge agent wees naar de halte.

‘Een automobilist. Willem Kooijman. Hij zag eerst het achterlicht.’

De fiets lag enkele meters verderop. Het voorwiel stond scheef, de ketting als een donkere lus over de klinkers. Aan het stuur zat een lege telefoonhouder. Langs de linkerzijde van de bagagedrager liep een bevestigingsrail; een onderste haak was afgebroken.

Onder de plaats waar een tas moest hebben gehangen, was het metaal minder nat.

Leo hurkte zonder iets aan te raken.

‘Is dit zo aangetroffen?’

‘Ja.’

‘Geen van jullie heeft de fiets verplaatst?’

‘Nee.’

‘De ambulance?’

‘Ook niet.’

Leo wees naar de strook modder tussen de weg en de vrouw.

Ambulanceschoenen. Politieprofiel. De zool van een gewone schoen. Iedereen had de kortste route vanaf de rijbaan genomen.

De agent wees waar ze de berm in waren gegaan.

‘Zet in je eerste bevindingen wie waar heeft gelopen,’ zei Leo. ‘En gebruik nog geen “doorrijder”. Een vrouw naast een kapotte fiets en geen auto zijn drie waarnemingen.’

Bij de brug kneep de weg samen tussen hek en water. Een automobilist moest wachten of vertrouwen dat de fietser ruimte maakte. Op de spijlen en de witte rand zag Leo geen verse beschadigingen.

‘Zijn de omwonenden al gesproken?’ vroeg Leo.

‘Eén vrouw. Ze zei dat ze niets had gezien.’

‘Tegen wie?’

‘Tegen mij. Toen we aankwamen.’

Leo keek naar de huizen bij de brug.

‘Laat een collega naar haar toe gaan. Niet vertellen wat Kooijman heeft verklaard. Eerst alleen vragen wat zij vanavond heeft gedaan.’

De agent knikte.

Een ambulancemedewerker klapte een brancard in. Bij het optillen van een tas trok het witte scherm even bol. Onder de rand werd één schoen zichtbaar.

Leo liep naar de eerste politieauto.

‘U bent Willem Kooijman?’

‘Ja.’

‘U hebt 112 gebeld?’

‘Ja.’

‘Vertel vanaf het moment dat u de Eilandweg inreed.’

Kooijman keek naar zijn kleine auto, die schuin achter de politieafzetting stond. Het rechtervoorwiel was beschadigd.

‘Ik kwam uit Broek. Van mijn dochter. Ik reed richting Amsterdam.’

‘Ga verder.’

‘Voor me reed een donkere auto. Bij de brug zag ik de achterlichten kleiner worden.’

‘Welke kant ging die op?’

‘Richting de provinciale weg.’

‘Kon u het kenteken zien?’

‘Nee.’

‘Wat zag u daarna?’

‘Iets roods, laag bij de grond. Eerst dacht ik aan een reflector. Toen zag ik het wiel.’

‘Van de fiets.’

‘Ja. Daarna zag ik haar.’

‘Wat deed u?’

‘Ik remde en week uit. Mijn rechterwiel raakte de stoeprand.’

‘Waar stopte u?’

Kooijman wees naar de auto.

‘Ongeveer daar.’

‘Bent u uitgestapt?’

‘Ja.’

‘Hoe dichtbij kwam u?’

‘Ik hield eerst het verkeer tegen. Daarna ben ik naar haar toegelopen en heb ik gebeld. Ik heb haar en de fiets niet aangeraakt.’

‘En de lijnbus?’

‘Die kwam na mijn telefoontje. De chauffeur liep naar haar toe.’

Leo keek naar Kooijmans auto. De beschadiging aan velg en band was zichtbaar onder het spatbord.

‘Uw auto blijft voorlopig staan. De schade wordt gefotografeerd.’

Kooijman knikte.

‘Mijn verzekering gaat dit niet geloven.’

‘Daarom leggen we vast wat er is.’

Leo riep een collega.

‘Laat ook de vervoerder alle camerabeelden, ritgegevens en communicatie van deze bus behouden. De volledige dienst van vanavond.’

De buschauffeur volgde zijn aanwijzing naar de camera boven de voorruit.

‘Daar staat de route op.’

‘Dat hoop ik.’

Leo richtte zich weer tot Kooijman.

‘Hoe laat hebt u het alarmnummer gebeld?’

‘Vrijwel meteen.’

‘De meldkamer registreert uw melding om drie over elf.’

‘Dan was het drie over elf.’

Leo liet Kooijmans oproepgegevens vastleggen.

‘Blijf beschikbaar. Morgenochtend wordt uw verklaring op het bureau volledig opgenomen.’

‘Weet u wie ze is?’

‘Nog niet.’

Dat was op dat moment waar.

Even later kwam een agente met een vrouw naar hem toe. De vrouw hield een hondenriem vast.

‘Mevrouw Koster?’

Ze knikte.

‘Mijn collega vertelde dat u vanavond buiten bent geweest. Wilt u beginnen bij het moment dat u vertrok?’

‘Bram moest nog naar buiten. Ik loop altijd hetzelfde rondje: over de brug, langs het water en achter de huizen terug.’

‘Hoe laat ging u weg?’

‘Tien voor half elf.’

‘Hoe weet u dat?’

‘Ik keek in de keuken op de klok. Het journaal was net afgelopen.’

‘Loopt die klok gelijk?’

‘Ongeveer. Het is een keukenklok.’

‘Prima. Wat gebeurde er buiten?’

‘Bij de brug stond een wagen.’

‘Waar?’

‘Aan deze kant. Voor de brug. Half op de weg.’

‘Wat voor wagen?’

‘Donker.’

‘Zwart?’

‘Dat heb ik niet gezegd.’

Leo knikte.

‘Donker.’

‘Hoger dan een gewone auto,’ zei ze. ‘Maar geen grote bestelbus. Zo’n…’

‘Een terreinauto?’

‘Misschien. Of een hoge stationwagen. Het regende.’

‘Brandden de lichten?’

‘Nee.’

‘De motor?’

‘Die hoorde ik wel.’

Leo wachtte.

‘Er stond ook iemand.’

‘Waar?’

‘Achter de wagen. Aan de bestuurderskant, denk ik.’

‘Wat deed die persoon?’

‘Niets. Stond daar gewoon.’

‘Kon u zien of het een man of een vrouw was?’

‘Een man, dacht ik.’

‘Waaraan zag u dat?’

Ze trok haar schouders op.

‘Breed. De manier waarop hij stond. Meer weet ik niet.’

‘Dat hoeft ook niet.’

‘Bram wilde niet verder.’

‘Doet hij dat vaker?’

‘Met vuurwerk. Of wanneer er een grote vrachtwagen over de brug komt.’

‘Was er vuurwerk?’

‘Nee.’

‘Een vrachtwagen?’

‘Niet dat ik zag.’

‘Hebt u de fiets gezien?’

‘Nee.’

‘Iemand op de grond?’

‘Nee.’

‘Hoe lang hebt u daar gestaan?’

‘Een paar tellen. Misschien langer. Bram trok terug en de man draaide zijn hoofd.’

‘Naar u toe?’

‘Ja.’

‘Kon u zijn gezicht zien?’

‘Nee. Ik wilde weg.’

‘Bent u omgedraaid?’

‘Niet dezelfde route terug. Ik ben aan de overkant langs de achterpaden gegaan.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik niet wilde dat hij zag bij welk huis ik naar binnen ging.’

‘Hoorde u nog iets?’

‘Een portier.’

‘Wanneer?’

‘Toen ik al achter de huizen liep.’

‘Eén portier?’

‘Volgens mij.’

‘En daarna?’

‘De motor ging harder. De wagen reed weg.’

‘Welke kant op?’

‘Naar de provinciale weg.’

‘Hoe lang zat er tussen het portier en het wegrijden?’

Ze dacht na.

‘Niet meteen. Misschien een halve minuut. Misschien minder.’

‘Hoe laat was u thuis?’

‘Vijf over half elf. Tien over, hooguit.’

‘Hebt u iemand gebeld?’

‘Nee.’

Haar stem werd harder.

‘Er stond een wagen bij de brug. Dat gebeurt vaker: bezorgen, ophalen, mensen die verkeerd rijden. Ik heb geen vrouw zien liggen.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Nu klinkt het alsof ik had moeten bellen.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Maar u wilt weten waarom ik het niet deed.’

‘Ik wil weten wat er op dat moment voor u te zien was.’

Mevrouw Koster liet de riem iets vieren.

‘Een auto. Een man. Meer niet.’

‘Goed.’

‘Wat is daar goed aan?’

‘Dat u het niet groter maakt.’

Haar ogen bleven bij zijn notitieboek hangen.

‘Denkt u dat die man haar heeft aangereden?’

Leo sloot het boek.

‘Ik weet nog niet wat hij daar deed.’

Hij vroeg de agente mevrouw Koster haar route te laten intekenen voordat ze iets van de plaats delict of mogelijke voertuigen zag.

‘Die vrouw.’

Leo wachtte.

‘Ligt ze daar nog?’

‘Ja.’

‘Is ze dood?’

Leo keek mevrouw Koster aan.

‘Ja.’

Leo liep terug naar de ambulance.

Bij de ambulance hield een medewerker van de forensische opsporing een transparant zakje omhoog.

‘Gecontroleerd via de meldkamer,’ zei hij. ‘Naam en geboortedatum kloppen.’

Eva de Villiers-De Witt.

Op de foto keek ze recht in de camera. Onder haar naam stond in kleinere letters:

Journalist.

‘Telefoon?’

‘Niet aangetroffen.’

‘Sleutels?’

‘In haar jaszak.’

Leo richtte zijn aandacht weer op de fiets.

‘Tas?’

‘Nog niet gevonden.’

‘Fotografeer de bagagedrager en de droge afdruk. Zoek daarna vanaf de kruising tot voorbij de brug, in beide bermen en langs het water.’

‘De sloot?’

‘Markeren waar veilig gezocht kan worden. Bij daglicht verder als het zicht niet genoeg is.’

Hij wees naar de lijnbus.

‘Camerabeelden en ritgegevens worden veiliggesteld. Kijk of de camera’s van woningen iets van de weg meenemen. Niet alleen vanaf drie over elf.’

De medewerker knikte.

‘Vanaf wanneer?’

‘Vanaf tien uur.’

De fiets werd gefotografeerd voordat iemand het licht verplaatste. Langs het riet begon een zoeklijn. Agenten noteerden adressen en informeerden naar camera’s langs de aansluitende routes.

Het witte scherm trok opnieuw zijn aandacht.

Iedereen op de Eilandweg deed wat hij op dat moment hoorde te doen.

Hij bleef kijken tot het doek terugviel.

‘Wat hebben we?’ vroeg de medewerker van de forensische opsporing.

Leo gaf hem geen verhaal.

‘Overleden vrouw. Beschadigde fiets. Uitwendig letsel. Mogelijk ander voertuig. Lichaam tijdens reanimatie verplaatst. Telefoon en tas ontbreken.’

‘Jullie houden veel open.’

‘Het is nog donker.’

Rond half elf had mevrouw Koster bij de brug een donker voertuig en een man gezien. Later hoorde ze een portier en de wegrijdende motor.

Om drie over elf was de melding van Willem Kooijman geregistreerd.

Leo liep terug naar de berm.

Het achterlicht bleef knipperen.

Leo schreef de tijden naast elkaar.

circa 22.20–22.40 — donker voertuig bij de brug; exact tijdstip onbekend

23.03 — melding Willem Kooijman

Naast de eerste regel noteerde hij: fiets niet gezien.

Einde van het leesfragment · Wie ziet, betaalt · Deel I
© Erwin van Rosmalen